
HP De Tijd 14 juli 2000. In de Surinaamse gemeenschap van de Bijlmer is een toevallige vriendenc1ub uitgegroeid tot een ongesubsidieerde welzijnsstichting, een sociaal vangnet voor jongeren. Voor de Brotherhood staan ze in de rij. ‘Hé vriend. Geef me boks van je.’ FREYA ZANDSTRAFOTO’S: JAN BANNING
De Bijlmer in de namiddag. In de broeierige gymzaal vlak bij de flat Echtenstein klinkt luid getrommel en geschreeuw: “Brotherhood from the Bijlmer bringing rhythm for you.” Ze oefenen in voetbalshirtjes en op sokken, deze helden van Zuidoost. Dit zijn de juniors: vijftien jongens en twee meiden, bijna allemaal van Surinaamse afkomst, die samen een drumband hebben.
Ze zijn de jongste van de Brotherhood, een vriendenclub die ooit begon met zeven jongens die beginjaren tachtig iedere zondagmiddag aan de Gaasperplas bij elkaar kwamen: Geleidelijk sloten meer jongens zich aan en ze verdienden wat geld door af en toe in de stad muziek te maken.
“We filosofeerden vaak over wat er in Zuidoost gebeurde,” vertelt Gilo Koswal, oprichter en tegenwoordig algemeen coördinator van de Brotherhood. “We zagen vrienden de verkeerde kant opgaan: die zit vast, die is verslaafd en die is er niet meer. Wij hadden elkaar als bescherming, al wisten we dat toen nog niet. Dat willen we de jongeren van nu ook bieden.”
Zeventien jaar later is de Brotherhood uitgegroeid tot een stichting met zes betaalde krachten, maatschappelijk werkers en een horde vrijwilligers. Honderdvijftig jongeren staan ingeschreven als lid, verdeeld over de juniors, de Seniors, de dansgroep en de workshopgroepen op de middelbare scholen in Amsterdam-Zuidoost. Nog eens honderdvijftig jongeren staan op de wachtlijst.
De juniors zijn drie jaar geleden begonnen met een workshop op de Open Scholengemeenschap Bijlmer (OSB). Dertig jonge drummers bleven over, die nu zover zijn dat ze hun eigen muziek ontwikkelen en tijdens repetities zelfstandig nieuwe ritmes bedenken.
Behalve dat ze ieder weekend optreden en twee avonden in de week oefenen, zoeken de juniors elkaar vrijwel dagelijks op in het Brotherhood-gebouw. Ze kunnen er huiswerkbegeleiding krijgen, ze kijken er Tv, spelen met de computer en hangen op de banken. Bij problemen op school of thuis bemiddelt de stichting.
Vraag ze wat de Brotherhood is, en ze vertellen over vriendschap en verantwoordelijkheid. “Net nog,” zegt Alberto, de bandleider van de juniors. “We zaten met zijn achten bij elkaar, Gilo gaf ons allemaal een kwartje en zei dat hij graag een frikadel wilde. Het is :maar een grapje, maar hij wil je zeggen dat je in je eentje niets begint, dat je het met z’n allen moet doen.”
Op de laatste dag van het schooljaar, bij de slotuitvoering van de Brotherhood-workshop, kreeg Alberto Dianza (16) het fluitje: vanaf toen was hij de leider van de juniors. Drie jaar later stuurt hij zijn clubje met een flair en begrip waar menige duurbetaalde manager nog wat van kan leren.
“Ik heb heel jong beslissingen moeten nemen waar mijn leven van afhing. Ik was vier of vijf toen de oorlog dichtbij ons kwam.” Hij voelt zich Afrikaan, besluit hij na een poosje nadenken. Hij groeide op in Angola, met een Angolese moeder en een Braziliaanse vader. “Ik zat op school toen er vlakbij geschoten werd. Iedereen probeerde tegelijk door het smalle deurtje het lokaal uit te vluchten. Toen heb ik mijn buurmeisje meegenomen door het raam van de klas. We konden nergens heen. We konden niet terug naar huis, want dan konden we in een gevecht terechtkomen. We zijn bij een wildvreemde vrouw naar binnen gegaan en daar hebben we tot ‘s avonds gewacht, tot het weer veilig was. Als je zulke beslissingen moet maken als je acht bent, word je heel snel volwassen.”
Hij was tien toen de familie het land ontvluchtte. Zijn vader heeft hij sindsdien niet meer gezien. Na een paar jaar in Gelderland verhuisden ze naar de Bijlmer. Hij wil zijn eigen zaak, misschien wel een advocatenkantoor. Zijn eerste jaren op de OSB waren niet de gemakkelijkste omdat hij een grote mond had. “Ik was brutaal. Als de juffrouw zei: ‘Ga zitten,’ zei ik: ‘Zit lekker zelf]’ Ik merkte dat de leraren me allemaal storend vonden en ik vond het vervelend dat ze daarom niet naar me luisterden. Nu ben ik veel serieuzer.”
De leiding pakt Alberto harder aan dan de rest. “Omdat ik een voorbeeld moet zijn,” zegt hij serieus. “Thuis ben ik ook de oudste, daar moet ik ook vaak vader spelen.”
Hij is iedere dag in het Brotherhood gebouw. Hij houdt het programma bij, overlegt met de leiding, geeft drumles op de workshops en praat met juniors die problemen hebben. “Dat is best moeilijk. Ik ga eerst zelf met iemand praten voor ik de leiding erbij haal. Ik zit vaak thuis nog na te denken over wat me verteld is, over vervelende dingen uit hun jeugd waar ze steeds aan moeten denken. Een tijd geleden was een van de jongens heel vaak aan het drinken; hij was vijftien, maar ik denk wel datje het een drankprobleem zou kunnen noemen. Hij wilde steeds geld lenen, om eten te kopen, zei hij. Ik gaf het hem niet, maar ging met hem mee naar de winkel. Hij bleek al een tijd in zijn eentje te drinken. Daar hebben we hem met z’n allen doorheen geholpen, hij doet nog steeds mee.”
Het idealisme dat de oorspronkelijke Brothers dreef, hebben de juniors allang niet meer. De Brotherhood speelt ieder jaar bij de herdenking van de moord op Kerwin Duinmeijer, maar de juniors hebben het over ‘die vermoorde jongen, hoe heet hij ook alweer’. Niet zo gek, ze waren nog niet geboren toen Kerwin zeventien jaar geleden werd doodgestoken.
En natuurlijk zijn ze er trots op dat ze voor Nelson Mandela gespeeld hebben toen hij naar Nederland kwam, natuurlijk wel. Maar discriminatie is niet iets wat ze zelf ervaren en daarom is het Coca-Cola Event hun even lief als de herdenking van de afschaffing van de slavernij. Als het publiek maar meedanst.
Latijns-Amerikaanse muziek spelen ze, van salsa tot kaseko. Op zaterdagochtend in Amsterdam-West moet een nieuw bouwwijk wakker getrommeld worden voor het buurtfeest. Ze hadden om acht uur moeten verzamelen, dan lukte het net om op tijd in West te zijn. Maar om tien uur, als het optreden moet beginnen, hangen de jongens nog in het huurbusje.
“Waarom altijd te laat,” klaagt een Surinaamse vrouw van het buurtcomité tegen Milton, de vrijwilliger die de zakelijke leiding doet, “daar stoor ik me zo aan.” “Tsja,” zucht Milton. “Het gaat al veel beter dan vroeger.”
De jongens kleden zich om in de bus: een donkere spijkerbroek van Tripper jeans en een oranje shirt van de Amsterdam Admirals, het American football team. Als zij al een kwartier staan te drummen, zijn ook de vier danseressen klaar.
Spelen bij de Brotherhood is wachten, urenlang en soms voor niets. Kijken naar de Brotherhood ook. Het Roots festival in het Amsterdamse Oosterpark, begin juni. Als de presentator om half vijf aankondigt dat de Brotherhood zo komt spelen, verdringen jonge meisje elkaar voor het podium. Maar achter de schermen wordt op dat moment nog koortsachtig gebeld met de mobieltjes van de Brotherhood-Ieiding. De band had om vier uur aanwezig zullen zijn. Om half zes vertelt de presentator dat de Brotherhood niet gekomen is en dat het concert niet doorgaat. De meisjes druipen af.
Een uur later arriveren de Juniors alsnog. Hoewel het podium waarop ze zouden spelen al is ontmanteld, speelt de band toch en eigent zich de rol van uitsmijter van het festival toe.
Gilliano krijgt een dreun van Jurgen, zomaar en hard ook. “Nou, wat,” gilt Gilliano, maar niemand reageert. Jurgen Sibelo, net zestien maar het postuur van een houthakker, heeft problemen om zijn agressie te beheersen. Twee keer werd hij er op school voor geschorst. Een leraar werd bang toen Jurgen tijdens een ruzie naar hem toe kwam lopen. “Hij zegt dat ik hem bedreigd heb, maar ik heb niks gezegd.” Jurgen moest een paar dagen van school. Dat was al eens eerder gebeurd nadat een lerarés hem – vals, zegt Jurgen – beschuldigd had van rotzooi trappen. Woedend was hij haar lokaal binnengestormd terwijl ze les stond te geven. Nu krijgt hij van school begeleiding om met zijn agressie om te gaan. “Even rust nemen voor ik reageer.” Het komt allemaal door zijn afkomst, denkt Jurgen: “Mijn vader is Antilliaan, die zijn agressief, het zit in mijn bloed.”
‘Jugu’ noemen ze hem. “Ik ben de rustigste, maar ook de agressiefste van de band.” Hij lacht niet veel, behalve als hij drumt, dan krijgt hij kuiltjes in zijn wangen.
Uitgaan doet hij niet. “Ik hou niet van feestjes. Ik word kwaad als iemand tegen me aanloopt, dan wil ik al vechten. En ik hou niet van drukte, ik ga alleen wel eens kijken als er een feest van Brotherhood is.”
Hij woont in de flat Echtenstein, vlak bij het Brotherhood-gebouw. Hij was twaalf toen hij uit zijn moeders land Suriname naar Nederland kwam. Nu woont hij samen met zijn vader en zijn zusje. Zijn moeder woont meestal in Almere, maar soms ook in de flat. “Mijn ouders zijn niet echt gescheiden, ik weet niet precies hoe het zit, ze hebben veel ruzie. Met mijn vader praat ik niet, nooit. Hij is er nooit en als hij er wel is, ga ik naar mijn kamer of kijk ik naar de Tv, niet naar hem. We kunnen niet met elkaar opschieten, vroeger ook al niet. Maar mijn tantes wonen ook in de Bijlmer, daar ben ik ook veel.”
Zijn vrienden die niet bij Brotherhood zitten, doen gekke dingen, vindt Jurgen. “Ze blowen, ze stelen, ze plegen berovingen. Ze zijn altijd op straat, ze hebben geen bezigheid.” Maar ook zonder de Brotherhood was hij daar niet aan mee gaan doen, denkt hij. “Dan was ik veel meer thuis geweest, ik ben nou eenmaal rustig.”
Een paar maanden geleden is hij maar een maandje weggebleven. “Ineens had ik met iedereen van de leiding ruzie, maar ik weet echt niet meer waarover het ging. Ik wilde weggaan, naar een andere band, maar daar gaat het alleen maar om de muziek. Brotherhood is gewoon het leukst.”
Op een zondagmiddag zonder optredens stelt zakelijk leider Milton voor te gaan roeien. Om half vier verzamelen, drukt hij iedereen op het hart. Een man of vijf zit om half vier klaar in het clubgebouw. Bandleider Alberto en Angela, een van de danseressen, ruziën over wie er eerst mag internetten. Anderen voetballen met een rol tape. Als Milton er om half vijf nog niet is, belt Angela hem: nog tien minuutjes. “Keer zes is een uur,” constateert Jurgen koeltjes, en inderdaad arriveert Milton om half zes, met zijn beide kinderen. “Je weet toch hoe dat gaat, ze willen cornflakes, maar er is alleen brood,” excuseert hij zich. “Je bent toch zelf ook kind geweest.” Niet iedereen kan zwemmen; daarom wordt er niet gekanood maar geroeid in stalen bootjes. Binnen de kortste keren liggen ze allemaal afgemeerd bij McDonald’s.
Milton wil naar de Gaasperplas roeien, maar de rest gaat zo langzaam dat hij dat plan moet laten varen. Als een van de bootjes dwars op de vaart blijft steken en iedereen languit in de zon ligt, besluit hij maar om te keren.
Op de terugweg in het busje huilt een van de jongens, omdat het zo gezellig was en hij nu weer naar huis moet.
Van de dertig drummers die door wilden gaan na de workshops op school, is na drie jaar de helft over. Ze begonnen als een clubje verlegen pubers, dat elkaar niet kende. De verlegenheid is er wel af; om de orde te handhaven heeft de Brotherhood een push-up-regime. Alberto is streng: wie zegt dat hij het snapt, maar iedere keer hetzelfde ritme fout drumt, moet zich tien keer opdrukken. Alleen de jongsten, die nogal tegen hun zin ‘tsjingmang’ (‘kleintje’) worden genoemd, protesteren daar nog tegen.
Dwarse pubers krijgen toch al niet veel ruimte voor experimentjes bij de Brotherhood; roken, blowen en drinken zijn niet toegestaan. Maar ook als de leiding er niet bij is roken de ]uniors niet, laat staan dat ze blowen. Een biertje of een mix wordt oogluikend toegestaan bij feestjes van de Brotherhood, zolang het maar bij eentje blijft.
Als een van de drummers tussen twee optredens door aan komt zetten met een Bacardi Breezer, vruchtensap met rum, en die demonstratief weg klokt, ontsteekt Milton in woede. “Mag van mijn moeder,” grinnikt de jongen stoer. “Vraag maar na.” Als Milton het nummer gedraaid heeft, is het flesje al leeg.
Milton Hasselnook (15) wordt Kleine Milton genoemd, om verwarring met de zakelijk leider te voorkomen. Zijn korte krulletjes heeft hij iets geblondeerd. Hij speelt meest~l bass en krijgt het als enige voor elkaar daar ook nog bij te dansen. Hij speelt fanatiek, met een vertrokken gezicht, alsof hij alles wat hem in de weg zit aan de kant mept.
Roken of blowen is wel het laatste waar hij in geïnteresseerd is. Hij doet twee of drie keer in de week anderhalf uur taekwondo en wil zijn lichaam niet verpesten. “Soms op feestjes drink ik een beetje wijn of likeur, dat mag best van mijn moeder, als ik maar oppas.” Aan de ingewikkelde onderlinge relaties tussen de drummers en de danseressen doet Milton niet mee. “Ik ga naar het examenjaar, daar heb ik geen tijd voor.”
Hij is een tijd niet bij de repetities geweest, hij moest hard werken om niet te blijven zitten. Iedere woensdag ging hij naar de huiswerkklas van de Brotherhood. Omdat hij lang niet mee gerepeteerd heeft, wordt hij niet opgesteld voor de optredens. Het groepje dat het meest trouw komt oefenen en er hard voor werkt, gaat mee naar optredens. Milton kan er niet mee zitten, hij is allang blij dat hij is overgegaan. VBO-verzorging doet hij, omdat hij arts wil worden. Maar liever nog acteur: “Dat zit gewoon in me.”
Het is niet gemakkelijk om een afspraak met hem te maken. Dan weer moet hij dringend weg, dan komt hij gewoon niet opdagen en de volgende keer is hij bijna een uur te laat. “Mijn moeder was ziek, ik kon niet weggaan.”
Net als bijna alle Brotherhood-jongens komt Milton uit een eenoudergezin; hij woont bij zijn moeder, zijn vader woont in Zaandam. Bijna allemaal hebben ze broertjes en zusjes ‘van moeders kant’ en broertjes en zusjes ‘van vaders kant’. Milton woont samen met zijn broer van moeders kant en met zijn moeder. Over zijn toekomst is hij stellig:
“Ik wil een vrouwen kinderen en ik wil er zijn voor mijn kinderen.” Niet dat de scheiding van zijn ouders hem zo dwars zit. “Het ging gewoon niet meer. Maar soms vraag ik wel aan mijn moeder of ze niet weer met mijn vader verder wil.”
Toen ze van Suriname – meestal kortweg Su genoemd – naar Nederland kwamen, hebben ze nog een tijd met z’n allen in Zaandam gewoond, maar al gauw ging hij met z’n moeder naar de Bijlmer. “Er is niks moeilijks aan opgroeien in de Bijlmer; al die culturen door elkaar was ik in Suriname ook al gewend. Iedereen denkt maar dat de hele jeugd hier crimineel is; ik merk er niets van.”
Het gemiddelde schoolniveau is MAVO en neigt richting voorbereidend beroepsonderwijs. Het lijkt of bijna ieder Brotherhood-lid op een schooltype onder het eigen niveau zit. Dat vindt ook de leiding van de groep. “Omdat leraren het gedrag van de leerlingen niet goed begrijpen, geven ze al gauw het advies om het kind naar een lager niveau te sturen. Gewoon miscommunicatie tussen autochtone leraren en allochtone leerlingen,” denkt Gilo Koswal, de algemeen coördinator. “Ze zijn vaak druk, en als een kind meer aandacht vraagt in de klas, wordt het leraren, die toch al onder een hoge werkdruk lesgeven, gauw te veel.” Zijn eigen zoon Gilliano kwam van de basisschool met een VWo advies, maar zit nu op VBO-niveau. Gilo stuurde hem naar het Pedagogisch Psychologisch Instituut (PPI), waar naast onderwijs veel tijd is voor gedragsbegeleiding. “Voor bijna alle kinderen hier heeft de school het advies PPI gegeven, maar lang niet alle ouders volgen dat op.” Om tot realistischer schooladviezen te komen presenteert Brotherhood deze week een plan aan het stadsdeel Zuidoost om ouders eerder bij de advisering te betrekken.
‘Geef me boks van je.” Alberto komt de hangruimte van het Brotherhood gebouw binnen en steekt zijn vuist uit naar ]urgen. Ze drukken de buitenkanten van hun vuisten even tegen elkaar als een ingetogen versie van de high jive. ‘Boks’ of ‘big up’ heet zo’n begroeting. Zo is ook hun taal doordrenkt van de straat. Alles wat niet goed is, is ‘puin’. ‘Standaard’ – met langgerekte a’s – betekent zoiets als ‘natuurlijk’ of ‘hoe kun je het vragen’. ‘Sponsor’ betekent ‘mag ik wat van je’ en gaat meestal over eten of geld. Maar geen woord wordt zoveel gebruikt als ‘zetten’, en het kan van alles betekenen. “Ik heb die stokken daar gezet,” zegt een meisje als ze haar stokken in een koffer heeft neergelegd.
‘Showtime’ is gewoon Brotherhood jargon. Als Alberto met twee vingers dansende beentjes nadoet, gaat het los: iedereen danst, drumt en roept met alles wat er in hem is. Maar niet altijd gaat dat vanzelf en al helemaal niet als het publiek niet in beweging te krijgen is.
OP het feest van de wijk Escamp in Den Haag moeten de juniors drie keer achtereen spelen, met tussenpozen van een uur. Maar het is rustig op het plein en de band zakt een beetje weg. Alberto is niet tevreden en roept de band bij elkaar: “Even praten.” “Wie wil er wat zeggen?” opent jurgen. Er worden wat kleinigheden gewisseld – de een trommelt te hard, een ander beweegt niet en er is te veel onderling gemopper – maar het klaart de lucht en het laatste optreden gaat geweldig. Glimmend geeft Alberto iedereen een big up.
Na hen treedt een groep soapsterren op en de Brotherhood moet wachten tot zij klaar zijn voor ze terug naar huis kunnen. Er moet nodig ge-Mact worden, vinden de jongens, maar Milton heeft de balen van ‘altijd maar weer die McDonald’s’ en stelt roti voor: “Ik weet een heel goeie zaak hier in de buurt.” Het compromis is patat van de snackbar om de hoek.
In de bus terug zingen Alberto en Milton Surinaamse liedjes met Luna, een van de danseressen. Hoewel ze precies weten wie welke rol in welke serie speelt, laten de jongens de soapsterren volstrekt links liggen en verpakken ze hun verlegenheid in arrogantie.
Ze zijn twaalf uur onderweg geweest als ze weer terug in de Bijlmer zijn. De volgende dag is er nog een optreden, voor de opening van het stadsdeelkantoor Buikslotermeer. Van openingen en buurtfeesten raken de juniors nauwelijks nog opgewonden. Leuker zijn Surinaamse bruiloften en het allerleukst is het zomercarnaval in Rotterdam, eind juli.
Maar dezelfde zondagavond kunnen ze hun hart ophalen: Nederland wint de kwartfinale en de Brotherhood rukt spontaan uit voor een optreden op het Rembrandtplein. Dat zijn de momenten dat ‘showtime’ vanzelf gaat.
Gilliano Koswal (15) neemt de telefoon op: “Brotherhood, met de baas.” Gilliano wil de baas worden, het maakt niet uit waarvan. “Als ik bij de Mac ga werken, ben ik in een paar weken de baas. Maar ik ga daar niet werken, want dan staat iedereen van Brotherhood de hele dag bij me: ‘Sponsor, sponsor?’
“En als ik hier de baas zou zijn,” zegt Gilliano, “dan zou al het geld van de optredens in de pot gaan en dan zou ik busjes kopen en het zou hier altijd netjes zijn.” Gilliano zit op te scheppen tegen twee meiden van de dansgroep, die daar hard om moeten lachen. “Hij heeft van die mooie ogen,” zwijmelen ze als hij even naar het toilet is. Maar als hij er weer is, keren ze onmiddellijk terug in hun ijskoninginnenrol.
Hij is de clown van de club, heeft de motoriek van een puber, maakt een hoop kabaal, maar mist geen slag als er gespeeld moet worden.
Gilliano’s vader Gilo werkt op het kantoor van de Brotherhood en is medeoprichter van de band. “Het begon met een paar van zijn vrienden, ze deden alles samen. Brothers waren ze. Ik was toen net geboren. Vanaf mijn zevende ging ik mee naar optredens, mocht ik een beetje meespelen.” Toen hij tien was, mocht hij echt meedoen.
Net een week geleden is Gilliano bij zijn vader gaan wonen, omdat zijn moeder, met wie hij in Amsterdam-Noord woonde, naar Rotterdam verhuisde. Gilliano wilde niet mee.
Gilliano’s vader is streng voor hem, helemaal bij Brotherhood, omdat hij zijn zoon niet wil voortrekken. Zijn vader haalde hem van de Open Scholengemeenschap Bijlmer om hem naar het Pedagogisch Psychologisch Instituut te sturen. “Een soort dagopvang,” omschrijft Gilliano. “Ik kende te veel mensen op de OSB en ik maakte te veel grappen.” Maar eigenlijk weet Gilliano niet precies waarom hij op het PPI zit, en leuk vindt hij het er ook niet. “In het najaar ga ik weer naar de OSB.”
De regels van Brotherhood zijn vooral op papier streng, vindt Gilliano. “Ze bedenken een regel, maar letten er daarna niet meer op. Bij de juniors valt het wel mee, maar de Seniors zitten gewoon te blowen waar wij bij zijn.”
Een van de straffen die Gilliano’s vader thuis uitdeelde, voerde hij ook in bij de Brotherhood: strafbrieven schrijven. “Dan moest ik zo uitgebreid mogelijk opschrijven wat ik verkeerd had gedaan, waarom en wat ik ervan geleerd had. Heel vaak moest ik dat. Als ik bij Brotherhood iets geleerd heb, is dat het wel: snel typen.”




